Poëzie

 

Een fadozanger te Mozambique

Vlak voor zijn dood in oktober 1936 verscheen van J.J.Slauerhoff zijn gedicht Compagnie de Mozambique. Dat was in De Gemeenschap, een cultureel tijdschrift dat bestond tussen 1925 en 1941. In dit prachtige gedicht hekelt Slauerhoff niet alleen de activiteiten van deze Portugese VOC, maar hij besteedt hierin vooral aandacht aan de fadozanger António Menano. Befaamd en gezegend met een ‘’donkere befloersde stem’’ , waar alle vrouwen ‘’voor bezwijmen’’.
      Maar ook een opportunist die zich als arts min of meer uitleverde aan de Compagnie.

Voordat u het gedicht leest is het wellicht leuk om even te luisteren naar Menano (1895-1969).
HIER is zijn Passarinho Da Ribiera en HIER zijn O mundo dá tanta volta

Van J.J.Slauerhoff

Compagnie de Mozambique

Aan de Compagnie de Mozambique
Behoort Beira
En het land daarachter
En ook Manga
En de negers die daar werken
En de heesters in de perken,
Alles hier behoort
Aan de Compagnie de Mozambique

Ook de dieren die hier leven:
Niet alleen de kreupele ossen
Met hun tsetsevliegen,
Fladderende vogels en onzichtbare insecten
Eveneens

’t Wordt vervelend
Alles op te noemen,
Maar wat zal men anders doen
Als men zit te wachten
Op een bus (ook van de Compagnie)
Die niet komt,
Luisterend naar de karekiet
Die het midden houdt
Met zijn vreemd tweetonig lied
Tusschen nachtegaal en krekel!
(Hierop maakt de Compagnie de Mozambique
Geen aanspraak.)

Ook António Menano,
De befaamde fadozanger
Bij wiens donkere befloerste stem
Alle vrouwen weenen en bezwijmen:
Die al ’t leed van Portugal opbeurde,
Ook Manano
Hoort nu aan de Compagnie de Mozambique

Acht mijl verder
Werkt hij op een onderneming;
Rijk werd hij want ieder wou hem hooren,
Arm werd hij want hij moest spelen en verloor
En natuurlijk speculeerend in aandelen
Van de Compagnie de Mozambique

Nu is hij voor zeven jaar
Daar verbonden als plantagedokter,
Geeft injecties en beslist
Of een neger die zich heeft vergist
Sterk genoeg is voor de geeseling,
Want de reglementen zijn
Streng en toch humaan
Bij de Compagnie de Mozambique.

Brengen wij het losgeld niet bijeen,
Dat hij weer van droeve zaligheid kan zingen?
Neen.
Ook Menano dronk zich al lang schor
Aan de whisky die, hier ingevoerd
Voor verlaagd tarief,
Wordt verstrekt aan de employe’s
Van de Compagnie de Mozambique.

Zo’n gedicht is natuurlijk ook een soort fado. Dat gold overigens voor veel werk van Slauerhoff.
De Portugese dichteres Mila Vidal Paletti, die al heel lang in Nederland woont vertaalde een aantal gedichten voor fado-zangeres Cristina Branco.
      Luister HIER naar Os Solitáros
en HIER naar Vida Triste.
Dit inspireerde de Friese zangeres Nynke Laverman op haar beurt weer om gedichten van de FRIES Slauerhoff te vertalen en in die taal uit te voeren.
Luister  HIER naar haar uitvoering van Vida Triste. En HIER naar Foar die fiere prins

En ga naar REIZEN 29 voor mijn eigen bezoek aan Beira Mozambique.

Klik HIER voor alle ZoekPoëzie 

 

 

Dédain, onbenul en botte desinteresse

VERGEEFS 

Ik vroeg het daar in Nieuw-Haamstede aan diverse mensen. Vergeefs.
      Maar ineens wist ik het.
De toren stond model voor het mooie bankbiljet van fl. 250,-- naar een ontwerp van Ootje Oxenaar. Eerder hadden we al De Snip van Fl. 100,-- en later De Zonnebloem van fl. 50,
     
Prachtige bankbiljetten, die overal in de wereld bewondering oogstten, maar af en toe ook tot verbazing leidden.

Iedereen kende het bankbiljet nog, maar daar ’was verder toch niets mis mee’.
      Het biljet werd overigens nauwelijks gebruikt. Kennelijk een incourant bedrag fl 250,-- Enigszins te vergelijken met de Eurobiljetten van 200,-- en 500,-- Hoewel dat wettige betaalmiddelen zijn, worden ze door veel bedrijven en winkelketens niet geaccepteerd.

      Trouwens; het groene biljet van 100 Euro is ook nauwelijks in omloop.
Terug naar de vuurtoren. Ik moest lang in mijn 'archief' (gestapelde zakken & dozen) zoeken hoe het ook weer in elkaar stak. Maar toen kwamen de botheid, de desinteresse, het dédain en het onbenul weer helemaal boven.

EEN EERLIJK ZEEMANSGRAF  

Kustland verscheen oorspronkelijk in de bundel Een Eerlijk Zeemansgraf. Het werd opgenomen in de Verzamelde Gedichten en verscheen op een linkerpagina.
      Het titelloze gedicht verscheen op de rechterpagina. De Mensen van de bank meenden dat het allemaal bij elkaar hoorde. Ze waren al lang blij, dat ze ergens het woord vuurtoren hadden aangetroffen.
      De grote Slauerhoff-kenner Kees Lekkerkerker maakte zich destijds terecht nogal druk over al deze ’slordigheden’. Vooral toen bleek dat de dichtregels alleen maar op het biljet waren aangebracht als één van de vele maatregelen om te voorkomen dat het biljet kon worden nagemaakt.
      De letters zijn zo klein (0.2 mm) dat ze met het blote oog niet eens te zien zijn. Met een heel goede loep zijn ze te lezen, hoewel het dan ook nog moeilijk is vanwege het geringe contrast. Het betreft hier namelijk paarse letters op een paarse achtergrond, die het voor eventuele namakers extra moeilijk maken om te reproduceren.

Hier is het complete gedicht:


 


Mirliton; een grafliedje

Mirliton is Frans en betekent in onderstaande gedichten ‘’rijmpje’’. Dat slaat op de slechts twee rijmklanken die gebruikt worden: ‘’ales’’ en’’ra’’ in het Frans en ‘’ekel’’ en ‘’een’’ in het Nederlands.
     
Het oorspronkelijke Mirliton is van Tristan Corbière ; de bewerkling van J.J. Slauerhoff.
In het Frans is het een simpel lichtvoetig gedichtje over een dode nietsnut, die in zijn graf ligt en bezocht wordt door een vrolijk zingende krekel. Er groeit onkruid op het graf en er is een wit lelietje van dalen.
     
In de bewerking van Slauerhoff wordt het wat grimmiger. Het onkruid verandert in distels, de nietsnut wordt een slampamper, het vrolijke lied wordt schel en zelfs gesmoord geween en de lelie, een bekende grafbloem, wordt helemaal weggelaten. Wel houdt Slauerhoff het simpele rijmschema aan. Vanwege dit schema en de herhaling in de regels 1, 7 en 12 is er in het gedicht van Corbière sprake van een rondeel. Slauerhoff schuwt de herhalingen, maar voegt aan het oorspronkelijk gedicht nog vijf regels toe.

Lees en vergelijk:

Van Tristan Corbière

Mirliton

Dors d’amour, mėchant ferreur de cigales
Dans le chiendent qui te couvrira
La cigale aussi pour toi chatera,
Joyeuse, avec ses petites cymbales

La rosėe aura des pleurs matinales;
Et le muguet blanc fait un joli drap…
Dors d’amour, mechant feurreur de cigales
Pleureuses en troupeau passeront les rafales

La Muse camarde ici posera,
Sur ta bouche noire encore elle aura
Ces rimes qui vont aux moelles des pâles
Dors d’amour, mechant feurreur de cigales


                                                                   Cimetière Saint-Augustin in Morlaix (BRETAGNE)

Van J.J.Slauerhoff

Mirliton

Slaap, kleine slampamper, jou slimme rekel

Slechts distels groeien over je steen;
Die weren met hun nijdigen stekel
Iedereen af, zoo lig je alleen

In doodsche stilte: de onzichtbare krekel
Zingt zijn schel liedje voor jou alleen.
Aan zachte gezangen had je een hekel,                                                                                                   
Nu hoor je als een gesmoord geween
De hevigste stormen. Weerspannige rekel!
Mijn Muze bemint je, al ben je enkel been.

Al mocht je haar niet lijden, Mene Tekel!
Jij wilde een wulpsch lijf en zij had er geen.
Maar de vrouwen zijn heen en zij alleen
Bekreunt zich nog om je en zweeft om je heen
En kust je zwart mondje dwars door den steen,
En haar smart gaat mij door merg en been…
Berouw komt te laat, kleine roeklooze rekel!

Klik HIER voor alle ZoekPoëzie

 

 

 

 

Poëzie is de drempel van het gesticht

 

In 1969 verscheen de opmerkelijke bundel: Boerengedichten.
     
De poëet was: Habakuk II de Balker.

Wie was Habakuk II de Balker?

De kleine kring mensen in Nederland, die geïnteresseerd was in poëzie vroeg zich dit af.
     
Habakuk! Dat was een Oud-testamentische heilsprofeet of een boeteprofeet.

Maar wat had dit van doen met het boerenleven? En wie opende een dichtbundel met de opmerkelijke zin:
     
‘Ik loop liever door brandnetels dan dat ik poëzie lees/laat staan schrijf’’


Als dit persiflage was dan was het zeer goed geschreven persiflage.
     
Hugo Claus werd genoemd. Lucebert. Johnny van Doorn.
Twee jaar later maakte de auteur zichzelf bekend.
     
Het was H.H. (Herman Hendrik) ter Balkt. Geboren in 1938 te Usseloo gemeente Enschede.
Een man, die al op 11-jarige leeftijd zijn eerste gedichten schreef.
Een man, die in de jaren daarna een groot aantal dichtbundels liet verschijnen.
     
Hij oogstte bewondering, kreeg grote waardering maar werd nauwelijks gelezen..

Ontving eerst de Herman Gorterprijs.

Daarna volgden de Henriëtte Roland Holstprijs en de Constantijn Huygensprijs.
     
In 2003 ontving hij de P.C.Hooftprijs en behoorde hij zonder dat ooit geambieerd te hebben tot het establishment.

De laatste jaren publiceert hij nauwelijks meer. Hij leeft tegenwoordig teruggetrokken in een woning te Nijmegen.


In 2003 heb ik hem een uur lang voor de VPRO-microfoon geïnterviewd.
     
Ter voorbereiding had ik ondermeer een paar typeringen opgeschreven:

Een knorrige, boerse, weerbarstige, opstandige, vrolijke dichter.
Een merkwaardige persoonlijkheid, belezen, maatschappelijk betrokken, een milieuprofeet, een oude bard, een volbloed poëet.

Over poëzie deed hij soms opmerkelijke, soms provocerende uitspraken.
     
Ik heb er een paar op een rijtje gezet:

--- Poëzie is een vlaggetje dat wappert boven de woede

--- Dichters zijn de fossielen van onze tijd

--- Geen douane aan de grenzen van de poëzie

--- Iedereen schrijft; niemand leest

--- Poëzie is de drempel van het gesticht

---  Poëzie is corned beef, gemalen hart-klop en fakkel van afval

 
Van H.H. ter Balkt


Poëzie

 

Poëzie is de drempel van het gesticht

is de wolf in het schaap, laat het fata

morgana zien, dompelt dan dodelijker,

dieper, je lijf in de helse woestijn.

Poëzie is een cent in Siberië

is een kraan zonder water, een hond op zee.


Niet? Achter de feiten komen de begrippen.

Achter de fielt kermt zijn stukgetrapt land.

Jaren nadat van plunderaars de stad kraakt

telt haar naam ofschoon ze dan niet langer

bestaat dan als naam. Denk aan Carthago,

denk aan jezelf en het sluimerend zout.


Poëzie is geen leeuw, is geen leeuw

Wallace Stevens, doodt geen man nee,

enkel fokt zij koudbloedig virussen

in haar heilig huis van ondermijning

van ondermijning, twijfel; zwak siersel,

verft het zout blauw op de bovenste plank

in het tochtiger wordende huis.

Je poëzie is een stuiver in Siberië , vlo

in de koningshals, goud in het pakijs.

Poëzie volgt de mens op de voet.

En poëzie is corned beef, gemalen hart-

klop en fakkel van afval, gevoelens

ingeblikt in de allesbehalve roestvrije vorm:

volksvoedsel voor het leger te velde

dat tegen abattoirs vecht als voor eeuwen

Don Quichotte tegen de windmolens.

Koud als kerstmis, doof als pasen wankelt

poëzie van slag- naar slagveld en bloedig

kruispunt, geweven leeuw in gerafelde

vlaggen, Wallace, bijna menselijk is zij; ja!

En verandert de ekster die een dief is, door

omschrijvingen, door foto’s van gedrag? Poëzie

nestelt en steelt, als de ekster, en haar

enige pretentie is: zijn je lepels

nog bij je? Is het koper of zilver wat er

schittert in je huis? Poëzie is een rover

is een uitgeschudde cent in Siberië , verft

het zout blauw in de stenen potten

is wreed en kwaadaardig lieve vriend/zoals jij.

 

 

Bij de zoute gong

Dof, inwisselbaar, bedaard, kil, onverkwikkelijk
vilein, twistziek, gekromd, mistig, grofbesnaard,
sleepte geklauwd, berekenend, boosaardig, listig,
eeuwenlang leven zich voort naast de zoute gong


Ingekeerd, angstig, stoomden ijzer en bronstijd
zeer op hun hoede, rauw, en somber, ongezouten
wetten in de ruwwandige kookpotten aan de zee…;
dommelend reden voerlui aan op slapende wegen;


mist, dichte regens, dempten de stemmen, dempten
de harten; moede, laagstaande zon bescheen zwak
rood, geluidswallen van riet en druppelend lover


Grauw de wielen van de wagens op de bodem van lege
wegen; ’koude kleren draagt ’t land’, zong ’t lied
van de zwepen; hier, bij de zoute gong van de zee

Je moet eigenlijk naar de dichter zelf luisteren
     
Dat kan!
Luister dan HIER naar het interview dat ik in 2003 met hem had.

 

                                     

 

                                      Uw bloghouder (links) in gesprek met H.H. ter Balkt.

 

 

 

 

Harbalorifa, Harba lorifá of Harba Lori Fa.

Harbalorifa was jarenlang een vermaard en druk beluisterd radioprogramma bij Omroep Brabant van de BRT. Het werd uitgezonden op zondagochtend. Het behandelde kleinkunst en cabaret en er werden alleen Nederlandstalige liedjes in gedraaid. Ook is het de naam van een Vlaamse theatergroep.
      De titel werd in mijn herinnering niet altijd op dezelfde manier geschreven en uitgesproken. Soms aan elkaar Harbalorifa, soms Harba Lorifá, dan wel Harba Lo Rifa. Je kreeg niet de indruk dat iemand wist wat het betekende.  
      Het gaat terug naar de dertiende eeuw. Jan 1 , hertog van Brabant leefde van 1235 tot 1294. Hij was een echte dichter en ėén van de eersten die in het ‘’Diets’’ schreef.  Het meest bekend is zijn Minnelied , waarin Harba Lori Fa voorkomt. 

     Het gaat zo:

Eens meien morgens vroe
Was ic opghestaan;
In een scoen boemgerdekine
Soudic spelen gaen.
Si waren zo wale ghedaen,
Dene sanc voor, dander sanc na:
Harba lori fa, harba harba lori fa,
Harba lori fa!

Doe ic versach dat scone cruut
In den boemgardekijn
Ende ic verhoorde dat suete gheluut
Van den magheden fijn,
Doe verblide dat herte mijn,
Dat ic moeste singhen na:
Harba lori fa, harba harba lori fa,
Harba lori fa!

Doe groette ic die alrescoenste
die daer onder stont.
Ic liet mine arme al omme gaan
Doe ter selver stont;
Ic woudese cussen an haren mont;
Si sprac ’’Laet staen, laet staen, laet staen’’.
Harba lori fa, harba lori fa,
Harba lori fa!

Flierefluiter
 

Het lijkt me duidelijk dat dit Minnelied wel eens uit de hand zou kunnen lopen. Hertog Jan, die volgens de overlevering  een flierefluiter was, gedraagt zich nogal bronstig. Kennelijk was dat in de dertiende eeuw ook al gemeengoed.
Als je die tekst eens goed beschouwt,  zou Harba lori fa gewoon een kreet kunnen zijn zonder enige betekenis. ‘’Geef hem van Jetje’’, ‘’Ik ga er tegenaan’’.
      Hier en daar op Internet wordt gesuggereerd dat de woorden een Provencaalse oorsprong zouden hebben , afgeleid van ‘’herba flors fa’’, in het Frans ‘’l’herbe fait des fleurs’’ ; het kruid staat in bloei.
       En dat is dan een wat poëtischer uitleg, maar wel weer een erotische toespeling.

De woorden werden in 1947 opgediept door pastoor Harrie Beex, die toen zijn Lied van Hertog Jan schreef.  Dit lied werd later een soort  officieus volkslied van Noord-Brabant. Het gaat zo:

Het lied van Hertog Jan

Toen de Hertog Jan kwam varen,
Te peerd parmant, al triomfant,
na zevenhonderd jaren,
hoe zong met ’t allen kant:
Harbalorifa, zong de Hertog, Harbalorifa!
na zevenhonderd jaren
in dit edel Brabants land.

Hij kwam van over ’t water
de Scheldevloot, aan wal te voet,
t’ Antwerpen op de straten
zilververen op zijn hoed;
Harbalorifa, zong de Hertog, Harbalorifa!
t’ Antwerpen op de straten,
Leren leerzen aan zijn voet.

Och Turnhout, stedeke schone,
zijn uw ruitjes groen, maar uw hertjes koen,
laat de Hertog binnenkomen
in dit zomers vrolijk seizoen.
Harbalorifa, zong de Hertog, Harbalorifa!
Laat de Hertog binnenkomen,
hij heeft een peerd van doen.

Hij heeft een peerd gekregen,
een schoon wit peerd, een schimmelpeerd;
daar is hij op gestegen
die ridder onverveerd.
Harbalorifa zong de Hertog, Harbalorifa!
daar is hij op gestegen
en hij reed naar Valkensweerd.

In Valkensweerd daar zaten
al in de kast, de zilverkast,
de guldekoning zijn platen;
die wierden aaneen gelast.
Harbalorifa, zong de Hertog, Harbalorifa!
De guldekoning zijn platen;
toen had hij een harnas.

Rooise Boeren komt naar buiten
met de grote trom, met de kleine trom;
trompetten en cornetten en de fluiten,
want de Hertog komt weerom.
Harbalorifa, zong de Hertog, Harbalorifa
trompetten en cornetten en de fluiten
in dit Brabants Hertogdom

Wij reden allemaal samen
op Oirschot aan, door een kanidassenlaan
en Jan riep: ‘’In Godsname
hier heb ik meer gestaan
Harbalorifa, zong de Hertog, Harbalorifa!
En Jan riep: ‘’In Gods name,
reikt mij mijn standaard aan!’’.

De standaard was de gouwe;
die waaide dan, die draaide dan,
die droeg de leeuw mee klauwen,
wij zongen alleman:
Harbalorifa, zong de Hertog, Harbalorifa!
die droeg de leeuw met klauwen,
ja de leeuw van Hertog Jan.

Hij is in den Bosch gekommen
al in de nacht, en niemand zag ‘t
en op de Sint Jan geklommen,
daar ging hij staan op wacht.
Harbalorifa, zong de Hertog, Harbalorifa!
en op de Sint Jan geklommen,
daar staat hij dag en nacht.

Luister HIER en HIER naar Het lied van Hertog Jan en merk op dat in beide versies een aantal coupletten gewoon wordt overgeslagen


Klik 
HIER voor alle ZoekPoëzie